Spring naar inhoud

Revolutie

26/01/2018

‘Doe nu eens normaal!’

Synchroon schrikten ze alledrie op uit de gedachten die hen elk apart al tijdenlang in de ban hadden gehouden, zij aan zij onderuitgezakt tegen de achterwand van het kleine magazijntje achterin het eerste verdiep van de kantoren van Tochtverhelping, Ramen en Vering waar ze zich niemand-weet-meer-hoelang geleden hadden verschanst. Deze stem hadden ze nog niet eerder gehoord. Alledrie kenden ze het ordewoord voor situaties als dit, dat ze al op de eerste dag – toen hadden ze de tel nog niet verloren – hadden afgesproken: onder geen beding in interactie gaan met de buitenwereld.

Net daarom schrokken Cristian en Laila nogmaals, deze keer niet meer synchroon, toen de anders zo plichtsgetrouwe Robrecht zijn zelfbeheersing verloor en daar en dan de nochtans duidelijke regels voor het eerst sinds de start van de revolutie openlijk aan zijn laars lapte.

‘Wat?!’, beet hij geërgerd.
‘Kom er gewoon uit jongens. Het is nu wel genoeg geweest.’

Samen staarden ze naar de gebarricadeerde deur. Of dat überhaupt nodig was geweest, dat barricaderen, aangezien de deur ook gewoon op slot kon, daar was eveneens over gediscussieerd op de allereerste dag. Kort en heftig, tot Laila argumenteerde dat het de internationale uitstraling en rekruteringskracht van hun voorlopig drie zielen tellende beweging weinig goeds zou doen als ze al op de eerste nacht door een slotenmaker in hun slaap verrast en uit hun schuilplaats ontzet zouden worden. Daar kon iedereen zich in vinden, waarop ze ze alles wat min of meer los zat tegen de binnenkant van de deur hadden geschoven, in de praktijk vooral logge zakken met tientallen kilo’s aan vijzen, bouten, schroeven, metaaldraad en nagels die zich maar moeizaam lieten verslepen. Ze zouden later elk apart nog stevig op vloeken op de ijver die ze tijdens de beginuren van de revolutie aan de dag hadden gelegd, wanneer ze in alle stilte de nochtans duidelijke regels zouden proberen te overtreden.

Ach, die eerste dag.

‘Nooit!’ Voor een al wat oudere man die al veel meer nachten dan goed voor hem was, had doorgebracht op dat handvol dunne kussens dat hij nog snel bij elkaar had gegritst voor ze zich in het magazijn hadden opgesloten, klonk Robrechts stem verrassend vastberaden. Ook voor Christian en Layla trouwens, die Robrecht nu toch al een poos kenden maar al die tijd nooit enige blijk van krachtdadigheid in hem hadden kunnen ontwaren. Nu balde hij echter beide vuisten en keek hij hen aan met een blik waaruit sprak dat hij de tijd voor heroïek eindelijk gekomen achtte. De keuze ging tussen doorzetten of geknecht worden. Hier en nu zou de revolutie een nieuwe fase ingaan van internationale weerklank. Hun gezichten zouden morgen de voorpagina’s van alle Belgische kranten sieren, waarop Reuters en uiteindelijk CNN het onwaarschijnlijke verhaal van hun driemansverzet verder over de wereld zouden verspreiden. Na wat ongelovig geknipper zouden de ogen van de slaapdronken massa eindelijk open gaan en zouden klassen en generaties zich verzoenen in de straten van Londen, Kinshasa, Seoul en Buenos Aires. Dansend zouden ze beursgebouwen, parlementen en klokkentorens innemen en glimlachend maatpakken van verbouwereerde lijven strippen, om daarna de bijna spiernaakte handlangers van het systeem de boulevards uit te jagen. En dan zou het eindelijk uit miljoenen kelen schallen: genoeg!

Of de revolutie zou barsten, maar alvast Robrecht zou dat niet toelaten. Niet in zijn leven.

Een geërgerde zucht klonk aan de andere kant van de deur. ‘Nee, nog altijd niet’, sprak de voor hen onbekende stem na een korte stilte, duidelijk niet meer tot de drie revolutionairen maar tot een tweede (of misschien zelfs een derde?) medestander aan zijn zijde. In het schaars verlichte magazijn van het middelgrote West-Vlaamse bedrijf TRV grijnsden de drie werknemers elkaar toe; hun verzet zou ook vandaag niet gebroken worden. Het was niet voor niets geweest. Dit was een test geweest en hun overtuiging was sterker gebleken dan de gecombineerde overredingskracht van hun collega’s, die zich intussen wel radeloos moesten afvragen wat ze aan moesten met die drie. Dit zou niet de laatste dag zijn van het verzet, en wie weet hoeveel dagen er nog zouden komen, of hoever het hen nog zou brengen? Cristian highfivede Laila en Laila highfivede Robrecht, en tenslotte highfivede Robrecht ook Cristian met de doffe dreun van een breekijzer dat in een deur wordt gezet.

Uprooted

08/12/2017

Ja, ik ben best trots op mijn job. Ik was nooit de slimste van de klas, ook de domste niet trouwens, maar de meest veelbelovende carrières zijn nooit voor mij weggelegd geweest. Daar was men van in de lagere school duidelijk over – dat ik zeker maar niets in m’n hoofd haalde. Maar ik kan best wel wat, daar ben ik al even lang zeker van. Je moet me gewoon de kans geven om het te tonen.

Twintig jaar lang al breng ik door in de kruin van de bomen van het provinciestadje waar ik woon. Ik ben de beste in m’n vak hier, dat moet wel. Ze waren met exact twintig, mijn nieuwe collega’s op mijn eerste werkdag, toen nog, misschien zelfs met meer want de handen waarmee ze me enkele minuten later al omhoog duwden tot in de top van mijn allereerste boom, waren zoveel meer ontelbaar dan veertig. Ze lachten en dat deden ze nog steeds, steeds dunner klinkend weliswaar, toen in de jaren die daarop volgden de ene na de andere besloot thuis te blijven, ontslagen werd eigenlijk – maar dat konden we zo niet zeggen – en ik uiteindelijk op mijn eentje overbleef, deze ochtend op deze nieuwe werkdag. Ik ben de enige van het hele korps die nooit is thuisgebleven.

Ik ben best trots op mijn job maar in alle eerlijkheid: veel werk heb ik niet, en als zeker niet in de winter. Al zal enkel een kennersoog hier, in het provinciestadje waar ik woon, van de bomen het seizoen kunnen afleiden.

Ik weet niet of ze me kennen, de bomen waar ik in klauter met mijn klimijzers en touwen (het is niet omdat ik niet altijd evenveel werk heb, dat ik het daarom minder professioneel hoef te doen). Ik ken hen al zeker niet: daarvoor zien ze me er na twintig jaar nog steeds allemaal te zeer hetzelfde uit, met hun dunne zwarte wortels graaiend naar de lucht.

Ik breng daarboven meer tijd door dan naast mijn eigen vrouw. Dat ik dat vandaag pas besef, na twintig jaar, zou je verrassend kunnen noemen. Ik was nooit de slimste van de klas.

Ik ben best trots op mijn job maar je kan je inderdaad afvragen of wat ik doe wel zin heeft, net zoals iedereen in gelijk welke sector dat kan, behalve dan misschien hartchirurgen en vuilnisophalers, want zonder hen zou het geen leven zijn. Voor alle anderen wiens belang niet buiten kijf staat, komt het er vooral op aan die vraag zo veel mogelijk te negeren. Dat heb ik begrepen op het eind van de derde week van mijn zesde werkjaar. Het was vrijdagnamiddag en de zon scheen dat jaar voor het eerst, ik droeg een wollen pull die al snel nog net te koud voor het jaar bleek en keek vanop een oncomfortabel dunne wortel uit op het werk van de voorbije week dat ik niet had hoeven te doen, daar beneden in het gras ergens, diep onder mijn voeten.

In dit provinciestadje klauwen de wortels van de bomen naar de lucht, dat is efficiënter en spaarzamer zo, is ooit becijferd, en naar ik begrijp dient het model van deze stad ooit geïmplementeerd te worden in het hele gewest. Zelf heb ik met mijn twintig jaar aan ervaring geen mening over dat beleidsplan, hoewel ik er vaak naar gevraagd word en ik niet kan ontkennen dat ik, als laatst overgebleven groenwerker, het levende bewijs ben van de kostenwinsten die te maken zijn door bomen ondersteboven in te planten, met hun takken de grond in. Snoeien hoeft dan niet meer in het bloeiseizoen, bladeren zijn er in de herfst niet te ruimen en het wegdek komt na enkele jaren al evenmin naar omhoog. Mooi ziet het er niet uit, op grijze dagen zelfs bepaald deprimerend, maar het kost uiteindelijk ook niets, dus wat geeft het dan?

Ik ben trots op mijn job en je kan je wel afvragen of wat ik doe nog wel zin heeft, maar stelt niet iedereen zich die vraag soms?

Opstaan in Oostende

03/04/2016

“Is er iets te doen in Gent?”

Het zijn de twee kereltjes die me daarnet in Leuven om een stylo vroegen om hun Go-Pass in te vullen. Het was koud geweest, we hadden even overlegd over welke datum ze moesten gebruiken aangezien het binnen drie minuten middernacht zou zijn en ik had proberen in te schatten of ze vrolijk aangeschoten waren, dan wel stoned. Zoals zo vaak in dat soort gevallen waarschijnlijk een beetje van allebei.
“We gaan écht naar Oostende jong”, hadden ze triomfantelijk naar elkaar gelachen terwijl ze me m’n balpen teruggaven. En ze hadden gevraagd of ik niet mee ging. Ik moest de volgende dag werken. (Zij ook, zeiden ze.)

De laatste trein rijdt langzaam Gent-Sint-Pieters binnen en de meest heldere van de twee – hoe oud zou hij zijn, twintig hoogstens? – overweegt toch hier maar al uit te stappen.
“Maar hij wil de zee zien.”
Hij wijst met zijn gedeukte bierblikje naar zijn maat die vooral oog heeft voor de vloer en zich recht probeert te houden terwijl de trein het station binnen rijdt.
“Ik wil de zee zien”, beaamt die onvast.
Ze besluiten alvast een sigaretje te roken terwijl de trein stilstaat in Gent.
“Opstaan met tomate crevette, man!”, hoor ik de wankele van de twee nog net roepen.

Het schijnt dat sommige mensen denken dat het niet goed komt met de mensheid.

Nachtwaken

24/03/2016

Dit is mijn andere leven dat ik nooit geleefd heb.

Ik ben nachtwaker in de lange gangen van een koud, twaalf verdiepingen tellend kantoorgebouw uit midden de jaren zeventig. Alle hoeken zijn hier exact negentig graden, opgetrokken uit nu langzaam afbrokkelend beton.

Mijn stappen galmen in de flitsen van een zaklamp.

Mensen zullen je zeggen dat ik mijn werk voorbeeldig doe. Niet dat iemand me ooit aan het werk ziet.

“Alleen jammer dat hij zijn slaap zo nodig heeft”, zucht de kuisvrouw die me om 7:23 wakker port aan een tafeltje in de hoek van het bedrijfsrestaurant.

 

nachtwaken

De man die niet schoot

28/05/2015

“Het verhaal wordt door iedereen een beetje anders verteld. Hangt ervan af van wie je het te horen krijgt. Het is de voorbije dagen en weken zo vaak opnieuw verteld, en daarna doorverteld, dat het onmogelijk is om nog te weten te komen hoe het echt gegaan is. Achteraf gezien komt het misschien daardoor. Dat het zo’n grote indruk heeft kunnen nalaten op ons allemaal.

Wat we wel zeker weten, is dat het allemaal begint op een verrassend warme lentedag, ergens begin april. De man wiens naam we niet kennen, loopt door de straten van Antwerpen. Hij geniet van het weertje, net zoals iedereen, zo lijkt het. Licht gekleed in een voorjaarshemd en een zakdoek nonchalant rond z’n nek geknoopt. Een lichtgroene pet op die alle maten past (met zo’n elastiek in), of een bruine Stetson – daarover lopen de meningen uiteen. Afhankelijk van welke versie je hoort.

De man wiens naam we op dat moment niet kennen (later zal die wel bekend worden, door de politieagent die hem overmeestert en zijn portefeuille met z’n identiteitskaart uit zijn achterzak vist) loopt met een ontspannen tred door de straten van Antwerpen. Ontspannen, maar doelbewust. Hij komt van de stationsbuurt en loopt via de Keyserlei naar de Meir. Hij draagt nadrukkelijk géén zonnebril, daarover zijn alle bronnen het eens, hoewel je dat misschien zou verwachten bij fijn voorjaarsweer als dit. Veel van de mensen die hem tegemoetkomen, doen dat wel. De meest enthousiaste onder hen dragen zelfs al shorts en nonchalante flipflops, hoewel je ’s avonds, wanneer de zon weg is, nog ademt in wolkjes.

Hij loopt ontspannen maar doelbewust over de Keyserlei. Zelfzeker. Hij ziet de mensen die hem voorbijlopen – de mannen in flipflops, de vrouwen met hun eerste korte rokje of meest fleurige sluier – en vindt het jammer. Jammer dat zij zijn kunnen ontkomen. Maar hij kan ze nu eenmaal niet allemaal meesleuren, straks. Focus is belangrijk, dat beseft hij maar al te goed. Verder, naar de Meir. Ontspannen, maar doelbewust.

Dat hij eerst nog even wijdbeens is blijven staan ter hoogte van de McDonald’s, met de handen in zijn zij, turend vanonder zijn lichtgroene pet die alle maten past of zijn bruine Stetson, dat vertelden alle getuigen achteraf. Daarover bestaat weinig discussie, welke versie van het verhaal je ook te horen krijgt. Een minuut of vijf, zo lang is hij daar blijven staan, terwijl de massa die genoot van de eerste zon langs hem heen spoelde. Behoorlijk lang.

Het gedruis van de nietsvermoedende mensen in de winkelstraat vult de lucht.

Een aangename voorjaarsbries speelt door het halflange, bruine haar dat onder zijn pet of Stetson uitkomt, door zijn lichte baard en over zijn verweerde voorhoofd.

Het is een mooie, verrassend warme lentedag, ergens begin april, wanneer hij zijn pistool bovenhaalt aan het begin van de Meir, net voorbij de McDonald’s. Het is een sober model, zo een als de politie gebruikt, zwart en makkelijk in de hand liggend. Geen opvallend pistool dus, maar het mist zijn effect niet. Hij richt het op het koppel dat hem tegemoet komt, een jong koppel dat enkele fracties van een seconde lang helemaal niets in de gaten heeft.

De meesten zullen je vertellen dat er een korte uitbarsting van gegil was terwijl het koppel in paniek wegdook, en de omstaanders begrepen wat er aan de hand was. Een korte uitbarsting, en daarna absolute stilte terwijl de wandelaars in de Meir dekking zochten. Veel plaats om te schuilen is er niet; enkele stenen banken en hier en daar een container waar er gewerkt werd aan een kleerwinkel, ja, dat wel, maar verder niet veel. De meesten doken de dichtstbijzijnde winkel binnen, verscholen zich tussen de fleurige zomertopjes in de rekken en hoopten dat ze niet gevonden zouden worden.

Voor dat ene koppel is het te laat: zij hebben het ongeluk in het midden van de straat het pad kruisen van de man met zijn pet of Stetson. Ze kunnen geen kant op: de dichtstbijzijnde bank staat een paar meter verder. Trillend zakken ze op hun knieën, de man heft zijn arm beschermend voor het gezicht van de vrouw. Hij in een fluoblauw shirt, gel in het haar, met witte sportschoenen van Nike. Zij achter hem, met een zwarte leren jekker, een spannende zwarte broek en een pilotenzonnebril. Een trillende kin terwijl hij het pistool op de man richt.

Het is nog steeds doodstil in de Meir.

Hij richt eerst op het voorhoofd van de man, en daarna op de vrouw achter hem. Zij zit intussen voorover gebogen in bijna-foetushouding, armen over het hoofd. Wanneer de man aanstalten maakt om zich verder voor de vrouw te positioneren, in de loop van het pistool, richt de man met de bruine pet of de Stetson terug op hem.

Er speelt nog steeds een lentebries over zijn verweerde voorhoofd, en door zijn halflange haar.

Een enkele gil uit een van de kledingwinkels.

En dan loopt hij verder. Even ontspannen als daarnet, en even doelbewust. Terwijl het koppeltje achter hem weg krabbelt achter een zitbank, loopt hij verder de Meir in. Hier en daar kiest lukraak een kledingwinkel uit om er binnen te lopen en nonchalant even tussen de rekken en in de pashokjes te kijken. Hij richt op de vluchtende mensen; in doodsangst struikelen ze over de van de hangers gevallen kleren, over andere weggedoken lichamen of over hun eigen voeten.

De Meir is intussen helemaal verlaten. Een enkele sirene loeit in de verte. Hier en daar stuit hij op een enkele wandelaar of een straatmuzikant, waar hij meteen zijn pistool op richt. Steeds opnieuw dezelfde reactie. Steeds opnieuw dat op de knieën zakken. Steeds opnieuw die radeloosheid in de ogen van zijn slachtoffer. Steeds opnieuw die geladen stilte.

Het is echt prachtig weer voor deze tijd van het jaar.

Via de Boerentoren en de kathedraal gaat het naar de Grote Markt. Een kwartier later is het intussen, en afhankelijk van wie je het verhaal vertelt, stuit hij bij zijn aankomst aan het gemeentehuis op een overweldigende politiemacht – of helemaal geen enkele tegenstand.

Waar iedereen het wel over eens is (die feiten zijn makkelijk te controleren) is dat het dinsdagnamiddag was en dat de gemeenteraad die dag bij elkaar was, nadat de vergadering van de vorige avond uitgelopen was. Verder wordt alles hier echt helemaal onduidelijk. Er zijn evenveel versies als er die namiddag gemeenteraadsleden in de zaal waren.

De schepen van Binnengemeentelijke Decentralisatie vertelde meteen na de feiten aan de toegestroomde pers dat er al buiten de zaal geschoten werd. Dat de deur bruut opengeschopt werd, en iedereen gedwongen werd om op de grond te gaan liggen. Dat ze daar dat hele uur in doodsangst hebben doorgebracht, met de buik op de grond en de handen boven het achterhoofd gevouwen, terwijl de man met de lichtgroene pet of bruine Setson hen onder schot hield en schreeuwde dat ze er allemaal aan gingen. (Er werden achteraf geen kogelgaten of hulzen teruggevonden.)

De schepen voor Onderwijs bevestigt dat verhaal deels. Volgens hem stond de man met het pistool evenwel toe dat iedereen op zijn stoel bleef zitten, en werd er maar één iemand onder schot genomen – hijzelf. Hij neemt sindsdien elke ochtend bij het ontbijt een cocktail van angstremmers.

De schepen voor Samenlevingsopbouw vertelt dat hij er bijna in geslaagd was de man met de lichtgroene pet of de bruine Stetson te overmeesteren, maar dat hij met nog anderhalve meter te gaan struikelde over de arm van een neerliggend oppositielid. Hij vermoedt dat hij gespaard werd uit respect voor zijn krachtdadigheid. (Verschillende leden van de oppositie betwisten deze versie van de feiten.)

Volgens de schepen voor Financiën werd er niet geroepen, en waren er ook geen schoten te horen buiten de raadzaal. De man zou bij zijn binnenkomst in de raadzaal een kordate rust uitgestraald hebben, naar de stoel van de burgemeester zijn gelopen terwijl de raadsleden een voor een wegdoken voor het pistool en daar gaan zitten zijn. Hij zou er zijn wapen neergelegd hebben, terwijl hij zijn ogen op de zaal gericht hield. Kalm zou hij daarop het woord genomen hebben, en met vaste stem verteld hebben dat hij buiten een slachtpartij had aangericht. Eerst in Brussel, en daarna in de Meir. Dat hij tientallen slachtoffers had gemaakt, burgers en politie. Dat hij duidelijke motieven had, maar geen spijt. Dat hij hier, in het stadhuis van Antwerpen, wou sterven. En dat hij hen allemaal zou meenemen in de dood.

De burgemeester houdt vol dat hij net naar het toilet was gegaan en de man met de groene pet of de bruine Stetson nooit gezien heeft, en nooit in gevaar is geweest. Hij kondigde de dagen nadien wel zware veiligheidsmaatregelen aan.

Hangt er een beetje vanaf van wie je het hoort.”

Marge van de statistiek

02/02/2015

Het is mij duidelijk dat het winter is
en dat de kasseien nog los liggen
maar het is mij verder

“Nooit meer snoeien.”

Maar het is mij verder onduidelijk

“Nooit meer bladeren harken.”

Kijk, het is mij omduidelijk waarom
ze alle bomen in deze straat omgedraaid hebben
met de wortels naar omhoog

“Dat is zo berekend
en alvast uitgetekend
verantwoord
voorzienig
en toch zeker
bijzonder efficiënt
Nooit meer rupsen in ons haar
naar beneden gevallen
op donderdagochtend
als we dringend aan het werk moeten.”

Het is inderdaad wonderlijk toeven
in de marge van de statistiek

“Het zal jou maar net overkomen
als de shampoo op is
In het buitenland al voorgevallen
Wat dan.”

Dat is mij toch duidelijk

Ik zou terug naar binnen gaan
mijn haar spoelen met water
onder de douche blijven staan
tot ik nog slechts één langgerekte rimpel was
die net onder de deur past
naar buiten glibberen
me hoog in de wortels van een boom nestelen
en zeven dagen wachten

in de marge van de statistiek

Arme, beste kerel.

30/11/2014

Beste Luc.

Arme, beste kerel.

Je weet het niet, maar ik stond in 2007 vlak voor het podium van de AB, waar je Gorky integraal zou spelen. Je was nog aan het soundchecken, een karwei dat de meeste bands liefst zo snel en droog mogelijk afhaspelen. De emoties, de gebaren: die zijn voor straks, tijdens de show.

Jij wandelde over het podium, naar een gitaarversterker die achteraan opgesteld stond, naast de drum. Niet zo’n grote, manshoge Marshall, maar een klein doosje. Een doosje dat bulderde toen je één akkoord aansloeg, en dat liet uitwaaieren door de zaal. Je draaide je om en grijnsde van oor tot oor naar het publiek.

Beste Luc, je weet het niet en ik besef het nu ook pas, maar ik ga je missen.

Weg met de gratis Go Pass

18/10/2014

De gratis Go Pass voor zestienjarigen wordt afgeschaft. Stond ergens in een klein hoekje in de krant, donderdagochtend. Een gratis Go Pass voor zestienjarigen, in mijn tijd bestond het nog niet, maar ik zou het fantastisch gevonden hebben.

Dgopasse gewone, die bestond wel al. Vier euro (later vijf) voor een treinrit in plaats van negen of tien: dat was heel wat, zo rond mijn zeventien-achttien-negentien-twintig. Die leeftijd waarop je weekbudgetten nog tot op de euro uitrekent, en dubbel zoveel moeten betalen ook meteen betekent dat iets maar half zo vaak kan. Die leeftijd waarop je ontdekt dat er dingen bestaan als de AB en de Botanique in Brussel, dat er iets oudere vrienden rondlopen in Leuven die een muziekwebsite runnen, en dat de verre uithoeken van België vol zitten met meisjes waar je verliefd op kan worden. En dat je best naar de Ardennen kan sporen met je klasgenoten om je er een weekend lang ongegeneerd lazarus te zuipen.

Mijn Go Pass was toen belangrijker voor mij dan mijn rijbewijs dat nu is – het zou het waarschijnlijk nog altijd zijn, als ik intussen niet 26+ was. Vandaag ben ik trotser op mijn treinabonnement van het werk dan ik op een bedrijfswagen zou zijn. En ik geniet nog altijd evenveel van die late treinritten na een concert in lege, doodstille coupés.

De zestienjarigen van vandaag, die kregen dus sinds 2007 zo’n Go Pass gewoon een jaartje gratis, als perfecte opstap voor een echte. Kregen. Want nu willen we hen liever doen dromen van hun eigen bedrijfswagen – daarop zal onze regering niet besparen. We zien ze liever met zijn allen terug op de achterbank van de gezinsauto, en daarna nog sneller naar hun eigen rijbewijs. De trein, die hoeven ze van ons niet meer te leren kennen. Onze wereldberoemde files zijn intussen toch al zo lang dat er best wel nog een paar kilometers bij kunnen.

En dat allemaal voor 1% van de totale besparingen voor de NMBS. Nog 99% te gaan.

Stel je eens voor dat we nooit huizen hadden uitgevonden

10/09/2014

Stel je eens voor dat we nooit huizen hadden uitgevonden.

We zouden (bijzonder onnodig) nog een paar honderd jaar langer door regen en wind gegeseld geweest zijn, tot we al even plotsklaps het lumineuze idee zouden gekregen hebben om bijennesten na te bouwen op mensenmaat, zodat we daarin zouden kunnen schuilen.

patent-netpatentWe zouden al snel onmetelijke kolonies uitbouwen, integraal opgetrokken uit beton, en verschillende landen zouden voortdurend met elkaar wedijveren om de grootste tot dan toe in aanbouw te hebben. We zouden met z’n honderdduizenden door de eindeloze, zeshoekige gangen lopen (waar je soms een sjaal zou kunnen gebruiken, want het zou er nogal tochten). Er zouden hoofdgangen zijn die makkelijk honderden kilometers lang door de mensenkorf zouden slingeren, en die zich dan op hun beurt zouden vertakken in kortere zijgangen. Je denkt nu misschien dat het in die eindeloze, betonnen gangen van dat onmetelijke, betonnen mensenraat altijd donker zou zijn. En dan zou je je vergissen.

Want we zouden niet achterlijk zijn. Nee, we hadden gewoon toevallig nooit huizen uitgevonden. Ooit had iemand wel het idee gehad, maar hij was op een bijzonder stomme manier om het leven gekomen nog voor hij iemand erover had kunnen vertellen, toen hij aan het werken was aan de funderingen van de eerste bouwwerf die de mensheid ooit had gezien. Van een ladder gevallen of zo, of van een primitieve kraan. Bouwvoorschriften zouden om evidente redenen nog niet bestaan hebben.

We zouden niet achterlijk zijn; op huizen na zouden we exact dezelfde technologische ontwikkeling gekend hebben. En dus zouden we evengoed kunstlicht uitgevonden hebben, en zouden we dat kunstlicht overal in de mensenkorf geïnstalleerd hebben. Het zou ook geen kil licht zijn – nee, we zouden de kleurtoon ervan kunnen aanpassen naargelang onze stemming. Warm licht als we het in de winter gezellig wilden maken in een van onze persoonlijke raten, of hard en functioneel licht in de dokterspraktijken, of felle kleuren als we zouden willen feesten in een van de tientallen miljoenen zeshoekige kamertjes die onze korf zou tellen.

slate-grey-floating-honeycomb-shelves-set-of--ashtrygutierrezWe zouden slapen in zeshoekige bedden, eten op zeshoekige tafels en onze inboedel stapelen op zeshoekige kasten. Sommigen zouden zeggen dat die er allemaal hetzelfde uitzagen, maar dat klopt niet want die bedden, tafels en kasten zouden tegen betaalbare prijzen aangeboden worden in verschillende afwerkingen van plastic, al dan niet vals hout tot zelfs metaal.

Het leven met miljoenen mensen in die ene, gigantische betonnen korf zou behoorlijk apart zijn. Hoewel de korf voortdurend uitgebreid zou worden, zou dat amper volstaan voor onze snel aangroeiende bevolking. Daardoor zouden we elkaar voortdurend tegen het lijf lopen in die lange, zeshoekige gangen waar het al eens kon tochten: vrienden, kennissen en vreemden. Er zouden meer conflicten zijn, maar ook meer menselijke warmte. Er zou meer gemoord worden, maar er zouden ook meer kinderen geboren worden in de miljoenen zeshoekige bedden in de miljoenen zeshoekige raten.

We zouden niet achterlijk zijn, we zouden gewoon toevallig nooit huizen uitgevonden hebben.

Na verloop van tijd zouden we zo overtuigd geraakt zijn van de functionele voordelen van zeshoekige structuren, dat we na het succes van onze mensenkorven ook niet-stoffelijke dingen ernaar zouden inrichten. Ons leven bijvoorbeeld, en ons werkritme. We zouden de dag indelen in zes sextalen, en het jaar in zes jaarsextalen.

8247532450_775d51cd97Niet iedereen zou zich even goed kunnen aanpassen aan de nieuwe zesdelige opdeling: af en toe zou een zonderling uit zijn woonraat breken, of op het werk uit zijn zeshoekige bureel, en schreeuwend een van de duizenden betonnen gangen inrennen. Er zou nooit nog iets van hem vernomen worden, behalve misschien af en toe de verdwaalde galm van zijn stem die iemand meende opgevangen te hebben (zeg, klinkt dat niet als…?).

Maar zij zouden de uitzonderingen zijn. Evengoed zouden veel mensen genieten van de geborgenheid die de zesdelige dag en dito jaarindeling bood. Ze zouden weten wat geweest was en wat er zou komen, dag na dag en jaar na jaar, en zich volledig kunnen toeleggen op wat ze echt belangrijk vonden, nu de dagdagelijkse beslommeringen in een functionele zeshoekige vorm gegoten waren. Net zoals de mensenkorf met zijn zeshoekige raten een zekere basisveiligheid had gegarandeerd en zo de bevolking de kans had gegeven om spectaculair aan te groeien, zo zou het zesdelige leven nu ook de intellectuele ontwikkeling stimuleren. De zeshoekmeetkunde zou hoogdagen kennen, de technologische vooruitgang zou niet meer te stuiten zijn.

De meeste mensen zouden zich echter ergens halverwege tussen beide extremen bevinden: in het nieuwe systeem zouden ze noch excelleren, noch eronderdoor gaan. Ze zouden zich schikken naar het zesdelige leefstelsel in hun betonnen zesdelige wereld, en het er daarbij betrekkelijk goed vanaf brengen. Ze zouden de ongemakken die ontstonden door de wrijving tussen hun strikt geometrische beleving van de werkelijkheid en de niet-stoffelijke realiteit (die in tegenstelling tot de raten en de tafels en de bedden niet zeshoekig is, maar eerder onvoorspelbaar en organisch) zo goed mogelijk proberen negeren. Dat zou steevast een tijdlang lukken, tot een kritisch kantelpunt bereikt zou worden en elk individu een onbestemde drang zou voelen naar andere geometrische vormen: de vijfhoek, de vierhoek, de driehoek. De cirkel, bij enkele uitzonderingen.

Wetenschappers (opnieuw, we zouden niet achterlijk zijn) zouden er na uitgebreid en intensief onderzoek met test- en controlegroepen achter gekomen zijn dat dit fenomeen zich exact eenmaal om de zes jaarsextalen voordeed, wat hen de kans gaf om een al even exacte therapie te ontwikkelen. Het zou een even efficiënte als eenvoudige therapie zijn die bij zo goed als alle gevallen de symptomen zes sextanten lang zou onderdrukken.

Men zou de patiënt in kwestie bij aanvang van het zesde jaarsextaal overbrengen naar de ingang van de mensenkorf – wat vaak een tocht zou betekenen van meerdere dagen door de zeshoekige gangen. Daar aangekomen zou het individu een plaats krijgen in een rij die zo opgesteld was dat ze een onbelemmerd zicht op de buitenwereld bood. Een buitenwereld die de wet van de zeshoek triomfantelijk leek te negeren. We zouden die wereld kennen van de beelden op onze zeshoekige tv, of van de blauwige kleuren waarin sommigen de muren van hun zeshoekige raat zouden geverfd hebben (ze zouden bij het stabiliseren van hun schildersladder de van weerskanten naar beneden aflopende vloer grondig vervloekt hebben). Op moleculair niveau ja, daar zou je af en toe al eens een zeshoek treffen, maar voor het blote oog zou het lijken alsof de wolken hoogmoedig uit de omknelling van de raten waren gebarsten. En we zouden er allemaal, enkele weken per jaar lang, van dromen om hetzelfde te doen, aan de ingang van de mensenraat. Uitbarsten.

Iemand zou ons al die tijd bij de schouders vasthouden, en tellen. Tot het genoeg was geweest en we weer voor vijf jaarsextalen de tochtige gangen van de mensenkorf ingevoerd werden, waar we elkaar voortdurend tegen het lijf zouden lopen en we min of meer zouden functioneren.

Stel je eens voor.

De man die (net niet) met kommetjes gooide

27/07/2014

Ik had me het restaurant van het nieuwe stadion van AA Gent anders voorgesteld. Strakker in het glas, en met de helblauw-witte esthetiek van sportschoenen die de rest van de Ghelamco Arena zo sterk kleurt.

Maar dit lijkt eerder op een Lunch Garden uit de vroege jaren negentig. Alles baadt in hetzelfde vuile, net niet crèmekleurige wit: het licht, de muren, het plastic waarmee de kassatoog is afgewerkt, de dienblaadjes. En nergens ramen. Ik schuif aan, met mijn menu op de metalen rails aan de kassa.

De man voor me staat, strak in een mooi lichtgrijs pak, te koken van woede. Hij staart met de ogen wijd opengesperd naar een deur ergens achter de kassa’s. Op zijn dienblad trillen de witte gaarkeukenkommetjes mee. Tientallen zijn het er, een rij of vier hoog gestapeld. De man kan zich amper beheersen. Het is me niet duidelijk of hij gegooid heeft met de kommetjes – het kan, maar ik weet het niet meer zeker.

Wij zijn hier alleen. Wij met ons tweeën, aan de kassa van het grote ninetiesrestaurant van AA Gent. Ik en een razende man.

Dat ik hem tot bedaren moet brengen, is de logica zelve. Ik stap op hem af en pak hem bij de arm. De kommetjes op zijn dienblad trillen nog steeds. Dit zou verkeerd kunnen aflopen, maar ik voel me verbazend zelfzeker.

Nu staan we aan de deur achter de kassa’s, die (dat neem ik toch aan) leidt naar de keuken. De deur is afgewerkt met hetzelfde vuilwitte plastic dat je hier overal ziet en een klein, rechthoekig raampje in het midden. Gezien de staat van totale woede waarin hij daarnet nog verkeerde, verbaast het me hoeveel rust de man naast me nu uitstraalt. Hij boezemt zelfs vertrouwen in, met dat grijze pak en die minzame glimlach. Die tientallen kommetjes op zijn dienblad rinkelen niet meer.

Nu kunnen we met elkaar praten, daar aan de vuilwitte muur aan de deur naar de keuken van het AA Gent-restaurant. De veertiger in het strakke pak met zijn dienblad vol kommetjes, en ik.

“Ik heb deze les geleerd op Tomorrowland”, vertelt hij me, en ik weet dat hij het heeft over zijn perfect getimede woede-uitbarsting van daarnet. “It helps me to cope with the complexities of everyday life.” Ik begrijp niet goed waarom hij die laatste zin per se in het Engels wil zeggen. Misschien om wat gewicht te geven aan een nogal banale levensles.

Samen met een vrouw die erbij is komen staan (een personeelslid van het restaurant dat eindelijk een kijkje is komen nemen?) blijven we op hem wachten, nog lang nadat hij door de deur naar binnen is gestapt. Het is geen keuken maar een magazijn, zo blijkt wanneer we ons geduld verliezen en zelf een kijkje gaan nemen. Een klein magazijntje waar amper licht binnenvalt, en waarvan de muren zijn afgewerkt met ruwe, houten planken. Er is niemand.

 

De beste dromen zijn de dromen die je in de late voormiddag krijgt, op die momenten van totale leegte waarop je best al zou kunnen opstaan, maar besluit om nog een uurtje door te slapen. Dan krijg je dromen met sterke beelden die je je nadien makkelijk herinnert. Dit is er zo eentje, vermoedelijk gevoed door gesprekken over de seizoensstart van AA Gent gisterenavond, en algemene indrukken van het restaurant van het bedrijf waar ik werk.
Ik begrijp overigens niet waarom deze man zijn les per se op Tomorrowland moest leren; het had evengoed Rock Werchter kunnen zijn, of Graspop, of een wedstrijd van AA Gent (al raad ik dat laatste misschien toch niet aan aan mensen met anger management issues).

%d bloggers liken dit: